Pagina's

zaterdag 18 mei 2013

Geraakt door de nederigheid van God



Geraakt door de nederigheid van God

Spiritualiteit in de lijn van Louis-Marie Grignion de Montfort


Tekst van de lezing uitgesproken tijdens de boekpresentatie op 25 maart 2013 door pater Frans Fabry



Mariadevotie en het boek van Wiel Logister

Het beeld van Maria en mijn eigen benadering van de Mariadevotie

‘Mijn eigen benadering’: daaronder versta ik de benadering van de Mariadevotie van Montfort zoals ik ze zie. Ook dit, ik beperk mij hoofdzakelijk tot het boekje De Ware Godsvrucht, terwijl je eigenlijk het geheel van zijn geschriften, en ook zijn levenswijze, aandachtig moet bekijken om zijn geschriften, en ook zijn levenswijze, aandachtig moet bekijken om zijn pedagogie te ontdekken. Want veel meer dan een theologie, reikt Montfort een pedagogie aan, een manier om op jouw beurt de weg van Jezus en van Maria te gaan.

Het jargon van Montfort is niet gemakkelijk. Zelf zegt hij dat hij zich tot armen en eenvoudigen richt, maar de ervaring wijst uit dat hij een taal gebruikt die menigeen doet struikelen. Johannes Paulus II, die de Ware Godsvrucht zeer hoog in het vaandel droeg (tot in zijn wapenschild), waarschuwt voor de ‘barokke taal’ van Montfort. Hij geeft geen strikt wetenschappelijke uiteenzetting maar hanteert een taal van een vurige volksmissionaris die soms zonder meer van de ene stijlvorm naar de andere overschakelt. Die vurigheid spruit voort uit zijn geraakt zijn door God, hij heeft zo iets als Paulus meegemaakt, die van zichzelf zegt dat hij ‘gegrepen’ is door Jezus Christus.

Naar aanleiding van deze Godservaring, roept hij in LEW naar Jezus: “Hoe wilt Gij dat ik zwijg”. Het is zijn heilige overtuiging dat God nog steeds bezig is met zijn belofte uit te voeren. Het Evangelie is niet af. Het Goede Nieuws is een gebeuren, tot vandaag toe. Zoals God een eerste maal in de wereld is gekomen, zo doet Hij dat nog dagelijks en Hij blijft dat doen. Dit is het leidmotief doorheen de Ware Godsvrucht, het is tevens het kader waarin al zijn geschriften en heel zijn handelen geplaatst staan.
Merkwaardig genoeg is dit schrijven pas 127 jaar na zijn dood ontdekt (in de helft van de 19de eeuw) en is heel vlug een wereldbestseller geworden. Bovendien, vrij recent, noemde Johannes Paulus II het een ‘klassieker in de mariale spiritualiteit’. Het is onze plicht er zorgvuldig mee om te gaan.

Eerst iets over de titel van het boek

Met losse citaten uit De Ware Godsvrucht kan je alle kanten op, in de ene richting zowel als in de andere en dat gebeurt ook. Ik ga er nu niet op in. Wel wil ik aanhalen dat velen verkeerdelijk denken dat bij Montfort (en ook bij de montfortanen) Maria in het centrum van de aandacht staat, terwijl Jezus Christus en de komst van het Rijk Gods zijn denken overheersen.

Bij de ontdekking van het handschrift stelde men vast dat de eerste (en ook de laatste)
Oirschot
bladzijden waren weggescheurd. Het was een bundel zonder titel. De bisschop van Luçon, onder de indruk van het geschrift, gaf aan zijn seminariedirecteur de opdracht om het te drukken. Deze heeft een titel bedacht die velen op een verkeerd spoor heeft gezet: “Verhandeling over de Ware Godsvrucht tot de heilige Maagd”. Het boek is namelijk geen verhandeling. De goede man was waarschijnlijk getroffen door de bladzijden waar Montfort  het over ‘ware’ devoties heeft tegenover onechte. Letterlijk heeft hij het over “fausses dévotions”, devotievormen van hen die slepen met gebeiteld hout en goeden aanbidden die niet bestaan. Een ander spijtig gegeven is dat deze titel de volle aandacht trekt op Maria. Dit terwijl Montfort zelf, terloops, een belangrijke tip aanreikt: ‘Voorbereiding op het Rijk van Jezus Christus’ (227). De recente uitgaven gebruiken deze zinsnede als ondertitel.

De komst van Jezus Christus, daar gaat het bij Montfort over. Om te achterhalen wie die Jezus van Nazaret is en wat Hij wil, is Montfort te rade gegaan bij de theologen van zijn tijd (vooral die uit de Franse school) en is als het ware de Bijbel ingedoken, niet in een of ander van de 72 boeken maar in de Bijbel als geheel.

Hoe hij daartoe gekomen is, de weg ernaar toe, is een ander verhaal. Maar het is hem duidelijk geworden dat het Eerste en het Tweede Testament één geheel vormen en dat je het Tweede Testament pas ten volle begrijpt vanuit de perspectieven die het Eerste Testament opentrekt.

De Bijbelse achtergrond

De  Ware Godsvrucht is geen gewoon devotieboekje en zeker ook geen exegetische studie. Maar cijfers kunnen je toch verbazen: het handschrift telt 160 bladzijden waarin je 140 expliciete Bijbelcitaten vindt, meestal uit het Eerste Testament. Daarenboven verwijst hij nog naar 300 andere passages, meestal uit het Tweede Testament. Tel maar op… Het is een merkwaardig gegeven en het vergemakkelijkt het lezen ervan zeker niet. Bovendien doet de schrijver niet aan exegese.

Oirschot
Al deze bladzijden doen hem God ervaren als degene die zich tot hem richt, zich aan hem openbaart. God is voor hem hoe langer hoe meer de Nabije geworden, zoals ook Wiel God duidt. God wil redden. Hij is niet de machtige God in een verre hemel, maar een nederige God die de hand uitsteekt naar de mens en dat niet alleen, Hij vraagt hem om vrije medewerking.

De vragende God kreeg bij Montfort de volle aandacht enerzijds en anderzijds de reactie van de bijbelmensen die in feite met mondjesmaat antwoorden. Inderdaad, niet allen hebben volmondig ‘ja’ geantwoord, enkelen wel. Denk aan Abraham, aan Mozes, Samuel, David, enz. enz. denk aan Maria. Telkens toen God zich tot hen richtte, was het met een vraag. De grote Bijbelfiguren, zij die God geholpen hebben om stappen vooruit te zetten, gaven allen hetzelfde antwoord: “Hier ben ik…”. In de Hebreeënbrief spreekt Jezus, bij zijn intrede in de wereld, diezelfde radicale woorden “Hier ben ik”. Bij Montfort is dit overduidelijk: God wil een van mensen ‘afhankelijke’ God zijn.

In LEW zien we hoe levensecht de Schriften voor hem wel geworden zijn:

65. Deze eeuwige en bovenal beminnelijke schoonheid verlangt zo hevig naar de vriendschap van de mensen dat Zij er, om hen te overtuigen, een apart boek over geschreven heeft. Zij drukt daarin uit wie Zij is en hoeveel Zij van de mens houdt. Het is net een brief van een verliefde aan haar vriend, uit op zijn liefde. Haar verlangen naar het hart van de mensen is zo intens, haar zoeken van hun vriendschap zo innig, het lokken en beloven zo verliefd, dat je bij het horen van die taal zou zeggen niet met de Vorstin van hemel en aarde te doen te hebben, maar met iemand die de mens nodig heeft om gelukkig te zijn.

Bijbellezen hoorde Montfort Gods stem, een woord dat nederig wacht op een wederwoord.

68. Lieve mensen, luister dus naar Mij. Gelukkig wie mijn wegen gaan. Ga in op mijn onderricht, wees verstandig en trek het u aan. Gelukkig wie naar Mij luistert en dag na dag bij mijn huis waakt en zich aan mijn deur ophoudt…

Hij schrijft zijn ervaring uit en tegelijk komt het Godsbeeld dat hij heeft naar boven:

69. Na al die tedere en uitnodigende woorden om de vriendschap van de mensen te winnen, vreest de Wijsheid toch nog dat – omwille van haar schittering en vorstelijke majesteit – ontzag voor Haar hen belet om tot Haar te naderen. Daarom laat Zij hen weten dat Zij gemakkelijk kan benaderd worden, dat Zij zich gemakkelijk vertoont aan wie Haar liefhebben, dat Zij voorkomend is voor wie Haar verlangen, dat Zij de eerste is om zich te laten zien en dat wie ’s morgens vroeg opstaat om Haar te zoeken, Haar zonder veel moeite zal vinden, want hij zal Haar zien zitten wachten aan zijn deur.

God is een en al relatie. De Bijbel is een liefdevolle roep die op een antwoord wacht. Met sprekende beelden doet Montfort in WG 240 een vurige oproep tot zijn lezer:

“Laten wij onze voeten in de eervolle boeien van Jezus steken, en onze nek in zijn gareel. Laten wij onze schouders eronder zetten en de Wijsheid, dat is Jezus Christus, dragen en niet verveeld zijn met zijn ketenen”.

Het thema van de uitverkiezing

Onophoudelijk kom je zowel in het Eerste en als in het Tweede Testament de term
Oirschot
‘uitverkiezing’ tegen. Hij krijgt bij Montfort vanuit zijn visie op het doopsel een bijzondere draagkracht. Het was hem namelijk opgevallen dat God altijd op dezelfde manier handelt:
“Denkend aan vele anderen, richt Hij zich tot enkelen, en als zij ‘ja’ antwoorden, dan geeft Hij hun een zending mee.”

Als Hij mensen uitkiest is dat niet om hen met gunsten te overladen, maar met een vraag: wil je mijn knecht zijn. Dat is de vraag die bij het doopsel gesteld wordt. God vraagt partners om Hem te helpen zijn werk uit te voeren. Vandaar het toewijdingsgebed van Montfort, een hernieuwen van de beloften bij het doopsel uitgesproken met aan Maria de vraag om bijstand te krijgen en er dag na dag trouw aan te zijn.
Doorheen het hele Bijbelverhaal, in de rij van Gods uitverkorenen (Abraham, Mozes, Samuel, David, Jesaja, Jeremia, enz. enz.) valt Maria op. Het “Hier ben ik” van haar is van heel bijzondere aard geweest. In zijn Galatenbrief duidt Paulus Maria als scharniermoment aan: “Toen de volheid van de tijd gekomen was…” toen is God op een heel bijzondere wijze de wereld ingetreden. Het Woord is vlees geworden, zo drukt Johannes het uit.

Met de twee Testamenten voor de geest concludeert Montfort.

22. De gedragslijn die de drie Personen van de allerheiligste Drie-eenheid hebben gevolgd tijdens de menswording, namelijk de eerste intrede van Jezus Christus, houden zij dagelijks onzichtbaar aan in de heilige Kerk. En tot het einde van de tijd, namelijk tijdens de laatste intrede van Jezus Christus, zullen zij daaraan trouw blijven.

15. Wanneer ik echter uitga van de zaken zoals ze zijn en zie dat God Zijn grootste werken heeft willen beginnen en voltooien door bemiddeling van de allerheiligste Maagd, vanaf het ogenblik dat Hij haar geschapen had, dan mogen wij met een gerust hart aannemen dat Hij in alle eeuwigheid niet van gedragslijn zal veranderen. Hij is immers God: Hij verandert niet van idee of handelwijze.

1. Door middel van de allerheiligste Maagd Maria is Jezus Christus in de wereld gekomen en door middel van haar ook moet Hij in de wereld heersen.

In LEW vat Montfort haar uitverkiezing als volgt weer:

105. Toen eindelijk de tijd voor de verlossing van de mensen was aangebroken, bouwde de eeuwige Wijsheid zelf een huis, een verblijf Haar waardig. Zij schiep en vormde in de schoot van de heilige Anna de godwaardigde Maria. En Zij deed dat met meer vreugde dan waarmee Zij het heelal had geschapen.

Nazaret
Zij heeft dat niet aan haarzelf te danken, maar aan de werkzame God. De lange weg door God met mensen afgelegd sinds Abraham, heeft geleid tot een meisje in de Kleine Rest, Maria. Haar afbeelding in de zuidfaçade van de aankondigingsbasiliek in Nazaret is sprekend: het jonge meisje toont aan iedere voorbijganger haar lege handen. Niet omdat zij zoveel omhanden had is zij door God uitverkoren, zij had niets achter de hand, maar stond radicaal open voor de vragende God. Om haar ja-woord uit te drukken, laat de beeldhouwer haar kleed niet tot op de enkels komen, maar tot halfweg het onderbeen, zodat je duidelijk ziet dat zij een stap vooruit zet, dat ze ingaat op de vraag en het Bijbelse antwoord geeft op de vragende God: ‘Hier ben ik’.

Sinds je doopsel hoor je tot Gods uitverkorenen. Dat God tot bij jou wil komen, wie je ook bent, is een uitdagend teken van zijn nederigheid. Het verstand slaat tilt als het er serieus over nadenkt, zo zegt Montfort in verband met het incarnatiegegeven.

Maria is de nederige partner van de nederige God

God wil naar de mensen komen en nog steeds op dezelfde wijze: Jezus moet voortdurend mens worden. En dat kan alleen, zo redeneert Montfort, in de mate waarin we op de grote bijbelfiguren lijken. En onder al die figuren is de nederige Maria de meest bijzondere. Uit zijn Bijbellezing trekt Montfort een belangrijke conclusie: de uitverkorenen van vandaag moeten nu zoals vroeger innerlijk gevormd worden, zo zegt hij, dat gebeurt door de doopgenade. Gedoopt worden is vol raken van God, zo drukt Wiel het uit, vervuld raken van Gods verlangen om bij de mensen te zijn.

Om zover te komen reikt Montfort een reeks tips aan, waarvan de belangrijkste ongetwijfeld de 30-daaagse voorbereiding is op een bewust ja-woord aan de vragende God. Het derde hoofdstuk in het boek van Wiel heeft als titel “de weg van Jezus”, het volgende: “De weg van Maria”, dan volgt “De weg van Montfort”, en dan? … Jouw weg moet je zelf schrijven en die begint met een bewust contract met God om verbondsmens te worden, Gods partner.

Met realisme voegt Montfort eraan toe dat je jezelf niet te hoog moet inschatten, je bent niet sterker dan de eerste leerlingen. Jezus heeft dat voorzien en gaf Maria, die staande is gebleven in haar geloof en haar toewijding aan Hem, de opdracht moeder te zijn voor de wankelende leerlingen. Vanuit zijn ervaring reikt Montfort een rij middelen aan die je helpen Maria bij je vallen en opstaan te betrekken. Vanuit zijn Bijbellezing is Montfort ‘gods-dienstig’ geworden Maria is voor hem niet alleen een voorbeeld geweest, maar vooral een efficiënte hulp om zijn dienstwerk te vervullen, en dit ten voordele van vele anderen.

Frans Fabry

dinsdag 2 april 2013

Catechese in de school bij Maria (15)

Commentaar op De Ware Godsvrucht van Montfort ( slot 266 - 273)

Bij het communiceren 

Ofschoon afgesloten, voegt Montfort aan zijn geschrift nog vijf handgeschreven bladzijden toe. Hij biedt de lezer suggesties aan om bij het communiceren, met behulp van Maria, intens met Christus om te gaan. Ter herinnering: het offer van Jezus heeft tussen God en
de mens een nieuwe relatie tot stand gebracht. De slotwoorden van het Mattheüsevangelie duiden heel concreet een aspect ervan: “Ik zal met u zijn, alle dagen, tot de voleinding van de wereld”, en de Eucharistie maakt ze tastbaar: “Dit is mijn Lichaam… dit is mijn Bloed… Blijf dit doen om Mij te gedenken.”

Het moet ons niet verwonderen dat bij Montfort, die voor de honderd percent Christus gericht wilde leven, dit sacrament een grote plaats inneemt. Het biedt namelijk de gelegenheid om Jezus concreet te ontmoeten, meer tastbaar dan bij de andere sacramenten. Voor deze ontmoeting voelt Montfort zich klein en onwennig, maar hij vindt bij Maria een steunpunt want duizend en duizend maal heeft hij haar tot ‘moeder’ genomen, zij zal hem bijstaan. Kinderlijk richt hij zich tot zijn ‘mama’.

Zij heeft Jezus in haar schoot mogen ontvangen, daarom roept hij haar hulp in om die hoge Gast te onthalen zoals het hoort. In dat kader staat dit toevoegsel aan De Ware Godsvrucht. De titel zegt duidelijk waarover het gaat: “Manier om deze devotie in praktijk te brengen bij de heilige communie.”

Vóór de communie

Wat zou je allemaal niet doen als een beroemde persoonlijkheid zich aanmeldt en bij jou aan huis wil komen? Je zou gepaste kleren aantrekken, je huiskamer versieren, zorgen dat je iets
kan aanbieden, en nog meer. Het is vanuit zo een sfeer dat je kan begrijpen wat Montfort bedoelt, want bij de communie gaat het om een heel belangrijk onthaal. De afstand tussen jou en Hem is ontzettend groot en toch is het Iemand die jou hoog inschat, want in zijn ogen ben je belangrijk. Niemand minder dan Jezus uit de evangelies wil bij jou te gast zijn. Montfort geeft een goede raad: omdat je altijd je toevlucht tot Maria neemt, vraag haar om bij het communiceren aanwezig te zijn en je bij te staan als je onwennig of onhandig bent.  

Daarom, zo zegt hij, herneem vóór het communiceren je toewijding: “Ik ben helemaal van jou, met al wat ik ben en wat ik bezit.” Met kinderlijk vertrouwen gaat Montfort verder en bidt tot haar: wat kan ik Hem beter aanbieden dan de warmte van jouw hart toen jij Hem ontvangen hebt? Alsjeblief, Maria, leen mij je hart (266).

Tijdens de communie

Montfort: "Het onzevadergebed heeft je al in de juiste sfeer gebracht, inderdaad, je mag de grote God ‘vader’ noemen, ‘papa’.
Keer je tot Hem alsof het de eerste keer is en zeg: 'Heer ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt'; en voeg eraan toe: 'ik ben niet waardig, maar Maria is hier, zij die nederig kon zeggen: Zie de dienstmaagd van de Heer'." Vader, in haar hebt Gij bijzonder veel vertrouwen gesteld. Gij rekende erop dat zij dit vertrouwen niet zou beschamen.

Met hetzelfde gebed kan jij je ook tot Jezus wenden: Heer ik ben niet waardig… Vraag Hem verontschuldiging voor je tekortkomingen en zeg dat bij jou Maria op Hem wacht. En richt je met dezelfde woorden tot de Heilige Geest: Heer ik ben niet waardig... Spreek je spijt uit over de situaties waarin jij je onverschillig toont tegenover God en de mensen, erken je doofheid voor zijn inspraken en verwijs naar de aanwezige Maria. Zij is nog steeds dezelfde, nog steeds bereid om zich in te zetten voor het Rijk Gods. Dankzij haar en dankzij jou kan Hij weer scheppend aanwezig komen in deze tijd en kan Jezus opnieuw gestalte krijgen  (267-269). 

Na de communie

“Keer na het ontvangen van de heilige communie geheel in jezelf, sluit je ogen en leid Jezus Christus binnen in het hart van Maria.” Je mag erop rekenen dat zij Hem een onthaal zal
bieden dat alle fantasie overstijgt.

Montfort biedt tal van invalshoeken aan om je gebed te stofferen, suggesties die hij bij andere schrijvers gevonden heeft, het zijn geen uitgewerkte meditaties maar een waaier van mogelijkheden om in te gaan op Jezus die zegt: “Ziehier mijn Lichaam, ziehier mijn Bloed.” Deze woorden tarten alle fantasie, daarom neemt hij zijn toevlucht tot Maria. 

Misschien vind je deze wijze van omgaan met Jezus en Maria vreemd. Je bent niet de enige. In 1714, twee jaar vóór het overlijden van Montfort, heeft kanunnik Jean-Baptiste Blain nog een belangrijk gesprek met zijn intieme vriend gehad. Naar aanleiding van deze laatste ontroerende ontmoeting in Rouen noteert hij in zijn Memoires: “In ons onderhoud vertrouwde hij me toe dat God hem begiftigd had met een uitzonderlijke genade, namelijk de voortdurende aanwezigheid van Jezus en van Maria in zijn hart. Ik begreep niet wat hij hiermee bedoelde, maar wilde hem geen uitleg vragen. Misschien zijn er ook geen woorden voor. In de wereld van de mystiek gebeuren eenmaal dingen die je niet met woorden kunt uitdrukken” (Blain 340).  Hier past het spreekwoord:  “Begrijpe wie begrijpen kan.”

Montfort bidt met verzen zowel uit het Eerste als Tweede Testament en besluit:  “De Heilige Geest geeft u nog talloze andere gedachten in, wanneer u werkelijk ingetogen en verstorven leeft en getrouw de grote en verheven devotie, die ik hierboven heb uiteengezet, beoefent. Maar vergeet niet dat Jezus des te meer verheerlijkt wordt naarmate u Maria meer laat handelen bij het ontvangen van de heilige Communie. Hoe meer u zich vernedert, des te meer zult u Maria laten handelen voor Jezus en Jezus in Maria. Luister in ongestoorde kalmte en stilte naar hen, zonder erop uit te zijn om te zien, te smaken of te voelen. Want de rechtvaardige leeft altijd uit het geloof, vooral bij het ontvangen van de heilige Communie, een gebeuren in geloof: “Mijn rechtvaardige leeft vanuit geloof" (Heb 10,38).


Met een ongebruikelijke pennenkronkel sluit de auteur zijn geschrift af.
Frans Fabry
Montfort sluit hiermee zijn geschrift af.


Vóór de communie - WG 266

Vóór de heilige Communie

266. 1° Verneder u diep voor het aanschijn van God. 2° Verzaak aan uw geheel bedorven innerlijk en aan uw gesteltenissen, hoe fraai  uw  eigenliefde ze u ook voorspiegelt. 3° Hernieuw uw toewijding met de woorden: “Ik ben helemaal van u, mijn lieve Meesteres, met al wat ik bezit”. 4° Smeek die goede moeder u haar hart te lenen, om daarin haar Zoon met haar eigen gesteltenissen te ontvangen.
Leg haar het volgende voor:  de eer van haar Zoon laat niet toe dat Hij in een hart komt, zo besmet en wispelturig als het uwe, dat Hem zeker van zijn glorie zou beroven of Hem zou verliezen. Indien zij echter haar verblijfplaats bij u wil nemen om haar Zoon te ontvangen, kan zij dat door het beheer dat zij over de harten uitoefent. Haar Zoon zal door haar goed ontvangen worden, zonder smet, zonder gevaar dat men Hem beledigt of verliest: “Binnenin is God, Hem zal geen geweld worden aangedaan (V/Ps 45,5). Zeg haar vol vertrouwen dat
alwat u haar van eigen bezit gegeven hebt, weinig waarde heeft als eerbewijs, maar dat u haar met deze heilige Communie hetzelfde geschenk wilt aanbieden als de eeuwige Vader haar aanbood. Dit is toch wel groter eerbewijs dan wanneer u haar alle goederen van de wereld zou geven. Zeg haar tenslotte dat Jezus in Zijn enige liefde voor haar, zich nog steeds in haar wenst te vermeien en in haar rusten wil, al is het dan ook in uw hart, vunziger en armoediger dan de stal waarin Jezus zonder bezwaar wilde komen, omdat zij er aanwezig was. Vraag haar met innige aandrang om haar hart: “Ik neem u voor al wat ik heb. Bied mij uw hart, Maria” (cf Joh 19,27).

Tijdens de communie - WG 267 - 268 - 269

Tijdens de heilige Communie

267. Wanneer u na het Onze Vader gereed bent Jezus Christus te ontvangen, zeg dan driemaal: “Heer, ik ben niet waardig” (Mt 8,8) enzovoort. De eerste keer richt u zich tot de eeuwige Vader in deze trant: wegens uw slechte gedachten en uw ondankbaarheid tegenover zulk een goede Vader bent u niet waardig Zijn enige Zoon te ontvangen. Maar hier is wel Maria, zijn dienstmaagd: “Zie de dienstmaagd van de Heer” (Lc 1,38), in uw plaats. Zij geeft u namelijk bijzonder veel vertrouwen en hoop ten aanzien van Zijne Majesteit. “Op bijzondere wijze immers hebt Gij mij door hoop stevigheid gegeven” (V/Ps 4,10).

268. U richt zich tot de Zoon: “Heer, ik ben niet waardig” enzovoort, in deze trant: U bent niet waardig Hem te ontvangen wegens uw nutteloze en verkeerde gesprekken, uw ontrouw in Zijn dienst. Maar toch smeekt u Hem, medelijden met u te hebben, want u wilt Hem binnenleiden in het huis van Zijn en uw Moeder, en u zult Hem niet laten gaan, zonder dat Hij bij haar zijn intrek is komen nemen. “Ik houd hem vast en ik laat hem niet gaan, tot ik hem heb binnengeleid in het huis van mijn moeder en in het slaapvertrek van haar die mij baarde” (Hl 3,4). Vraag Hem, dat Hij op zou staan en komen zou in de plaats van Zijn rust, in Zijn heilige ark: “Rijs op, Heer, en treed binnen in de plaats van uw rust, Gij en Uw heilige ark” (Ps 132,8). (...) 

269. U richt zich tot de heilige Geest: “Heer, ik ben niet waardig”, in deze trant: U bent niet waardig om het meesterwerk van Zijn liefde te ontvangen, wegens de lauwheid en boosheid van uw werken en uw weerspannigheid tegen Zijn inspraken. Maria echter, Zijn getrouwe Bruid, is uw enige hoop. (...)

Na de communie - WG 270 - 271 - 272 - 273

Na de heilige Communie

270. Keer na het ontvangen van de heilige Communie geheel in uzelf, sluit uw ogen en leid
Jezus Christus binnen in het hart van Maria. Geef Hem aan Zijn heilige Moeder. Zij zal Hem met liefde ontvangen, de ereplaats geven, diep aanbidden, volmaakt beminnen en innig omhelzen. In geest en waarheid zal zij hem omringen met veel eerbewijzen die ons onbekend zijn in onze dichte duisternis.

271. Een andere manier is: een diep nederige houding aannemen in uw hart, terwijl Jezus, verblijvend in Maria, bij u aanwezig is. Of gedraag u als een slaaf aan de poort van het paleis, waar de koning zich met de koningin onderhoudt. Terwijl zij met elkaar spreken, zonder u nodig te hebben, kunt u in de geest naar de hemel gaan en heel de aarde doorkruisen, om de schepselen uit te nodigen in uw plaats Jezus en Maria te danken, te aanbidden en lief te hebben: “Komt, laten wij aanbidden, komt” (Ps 95,6) enzovoort.

272. Nog een andere manier is: richt u, in vereniging met Maria, persoonlijk tot Jezus en vraag Hem om de vestiging van Zijn Rijk op aarde door Zijn heilige Moeder. Of vraag Hem de goddelijke wijsheid, de goddelijke liefde, de vergeving van uw zonden of een andere genade; maar altijd door Maria en in Maria. Bekijk uzelf intussen ook misprijzend en zeg: “Heer, let niet op mijn zonden, maar mogen Uw ogen in mij alleen de deugden en verdiensten van Maria zien”. Voeg er nog aan toe, uw zonden indachtig: “Een vijandig mens is de dader (Mt 13,28) Ik ben zelf de grootste vijand waarmee ik ben opgescheept, ik, die deze zonden bedreven heb”. Ofwel: “Bevrijd mij van de ongerechtige en bedrieglijke mens” (Ps 43,1); of: “Jezus, u moet groeien in mij, ik moet kleiner worden (Joh 3,30). Maria, u moet groeien in mij, ik moet kleiner worden dan ik geweest ben. Jezus en Maria, wordt groter in mij, vermenigvuldigt u buiten mij, in de anderen” (Gn 1,28).

273. De heilige Geest geeft u nog talloze andere gedachten in, wanneer u werkelijk ingetogen en verstorven leeft en getrouw de grote en verheven devotie, die ik hierboven heb uiteengezet, beoefent. Maar vergeet niet dat Jezus des te meer verheerlijkt wordt naarmate u Maria meer laat handelen in het ontvangen van de heilige Communie. Hoe meer u zich vernedert, des te meer zult u Maria laten handelen voor Jezus en Jezus in Maria. U moet in ongestoorde kalmte en stilte naar hen luisteren, zonder zorg om te zien, te smaken of te voelen. Want de rechtvaardige leeft overal uit het geloof, vooral bij het ontvangen van de heilige Communie, die een daad van geloof is: “Mijn rechtvaardige leeft vanuit geloof” (Heb 10,38).

maandag 4 maart 2013

Catechese in de school van Maria (14)


Commentaar 14 - WG 257 – 265
TAAL VAN EEN MYSTICUS

“Nu zullen we innerlijke praktijken gaan bespreken. Deze zijn waarlijk heiligend voor allen die door de Heilige Geest tot hoge volmaaktheid worden geroepen”, zo schrijft Montfort (257). Meermaals reeds heeft hij verwezen naar een proces dat plaatsvindt als men zich openstelt voor Gods Geest die je van genade tot genade, van licht tot licht, over een weg leidt naar volwassenheid (cfr. 119).

Op unieke wijze is Maria bij Christus en ook bij zijn heilswerk betrokken en, na haar, iedere gedoopte volgens eigen kunnen. Zij is bovendien een kostbare hulp om open te gaan staan voor Gods Geest. De opstapeling van de voorzetsels ‘door’, ‘met’, ‘in’ en ‘voor’, wijst naar een innig contact met Maria dat voert tot een verbondenheid met Christus. En daar gaat het om: ‘door’, ‘met’, ‘in’ en ‘voor’ Jezus Christus gaan leven; je moet ‘nieuw’ geboren worden, Gods christus worden, zijn gezalfde onder de mensen.

Het is geen uitvindsel van Montfort, hij verwijst naar getuigenissen van heiligen en put rijkelijk uit een vat vol Bijbelbeelden. Het is een mystieke lezing van de Schrift die steunt op de ervaring. Het uitgangspunt is duidelijk: Maria is ‘vol van genade’, de Heilige Geest is over haar gekomen. Als jij je laat leiden door haar geest, gaat ook over jou de wereld van God open.

Door Maria

Montfort gaat dieper in op eerder vernoemde tips. Doe zoals Maria, neem je eigen plannen en inzichten niet als de enig goede of mogelijke optie voor een geslaagd leven, doe je dat wel, dan bied je geen ruimte voor de werkzaamheid van de Schepper. Slechts als je Godgericht leeft, kan Zijn Geest je bereiken, zoals dat Maria overkomen is: “Deze Geest heeft zich zozeer meester van haar gemaakt dat Hij haar eigen geest is geworden.”

Door je helemaal aan haar toe te vertrouwen, zo zegt hij, word je als een muziekinstrument dat zij met haar vingers bespeelt, je gaat meer en meer openstaan voor God. Hoe doe je dat? De ervaren pedagoog verwijst naar de kracht van de herhaling: bevestig je je te pas en te onpas toegewijdheid aan haar, zij zal zich aan jou toewijden en werkzaam worden. Je zal worden als Maria, tegelijk: “…mild en sterk, geestdriftig en behoedzaam, nederig en moedig, zuiver en vruchtbaar” (258).  

Met Maria

“Bij elke handeling moet je nagaan: 'Hoe deed Maria dit, of hoe zou zij het doen, als zij in mijn plaats was?' schrijft Montfort, zo leer je haar beter kennen. Hij verwijst naar haar drie grondhoudingen: haar levendig geloof (van bij de Aankondiging tot op Golgota), haar diepe nederigheid tijdens haar leven (zij ging niet prat op haar uitverkiezing door God) en een radicale openheid voor God (nooit door iemand geëvenaard).

Montfort herneemt de beeldspraak van Augustinus: zij is de ‘gietvorm’ waarin het evenbeeld van God gevormd is en besluit: “Wie deze vorm heeft gevonden en zich daarin verliest, zal weldra omgevormd worden in Jezus Christus, want deze vorm geeft Hem natuurgetrouw weer” (260). Je zal een andere christus worden.

In Maria

Hier duidt Montfort Maria, haar lichaam en haar hele persoon, aan als een plaats: zij is een heilige plek. Hij noemt haar het ware aards paradijs waarin de Nieuwe Adam verbleven heeft. Wat in Genesis over het paradijs verteld wordt is slechts een aankondiging, zo zegt hij, een voorafbeelding van wat aan Maria voltrokken is.

Hij vergelijkt haar schoot met een heilige onbevlekte klei waaruit de nieuwe Adam gevormd is. De Heilige Geest heeft aan die klei vruchtbaarheid gegeven en zorgde ervoor dat de vrucht gevoed werd. En met een keuze van reminiscenties uit de Bijbel beschrijft hij de wondermooie en vruchtbare tuin die Maria is. “In dit aards paradijs staat in de ware zin van het woord de levensboom die Jezus Christus, de Levensvrucht, heeft gedragen…” (261).

Meermaals heeft Montfort Maria geduid als de grote en van God vervulde wereld, hier noemt hij haar het paradijs en voegt eraan toe dat het, voor zondaars die wij zijn, niet vanzelfsprekend is toegang te krijgen tot dit bijzonder oord en hij borduurt voort met Bijbelse beelden: “Het wordt niet door een cherubijn bewaakt, zoals het vroegere aards paradijs, maar door de Heilige Geest zelf, die er absoluut gezag uitoefent… De beklagenswaardige kinderen van Adam en Eva, eenmaal verjaagd uit het aards paradijs, kunnen dit nieuwe paradijs niet binnentreden tenzij de Heilige Geest het hun toestaat bij wijze van speciale gunst…” (263).

Als je waardig bevonden wordt mag je er toch in verblijven. Je zult er dan gevoed worden zoals een baby in de schoot van zijn moeder, vrij van onrust, vrees en angstvalligheid, beveiligd tegen alle mogelijke vijanden (264).

Voor Maria

Hier neemt Montfort een belangrijk aspect van het chisten-zijn weer op: het gaat om dienstwerk. Maria is bij uitstek de dienstmaagd van de Heer ten voordele van zijn werk onder de mensen, een dienstbaarheid zonder berekening van wat zij ervoor zou terugkrijgen. Reeds tweemaal heeft hij uitgelegd waarom hij voor het woord ‘slaaf’ kiest. Je moet gratis werken en evangeliseren, zo stelt hij, zonder speculatie op voordelen. Maar je moet werken.

“Als een goed dienaar en slaaf mogen we niet werkeloos blijven. Integendeel, wij moeten, gesteund door haar bescherming, voor die verheven vorstin grote dingen ondernemen en volvoeren; haar voorrechten verdedigen wanneer men haar die betwist; haar eer hooghouden indien deze wordt aangevallen…. En tegelijk moeten we deze waarachtige devotie overal ingang doen vinden. Tot loon voor onze geringe diensten mogen we niets anders verlangen dan de eer aan zulk een beminnelijke vorstin toe te behoren en het geluk met haar zoon Jezus onverbrekelijk verenigd te zijn in tijd en eeuwigheid.”

Eens te meer onderstreept de schrijver dat het niet om Maria gaat en haar eer, maar om ‘een gemakkelijk middel’ om tot bij Jezus te komen en zijn werk voort te zetten. Met sierlijke letters drukt hij het nog eens uit. Het is een sluitstuk in zijn geschrift: 

“Glorie aan Jezus in Maria! 
Glorie aan Maria in Jezus!  
Glorie aan God alleen” 
(265).

Frans Fabry